Later volgde een turboversie en dacht het merk uit Ingolstadt menig zescilinder concurrent te kunnen verslaan. Wat, ere wie ere toekomt, ook zo was.

In de jaren negentig verflauwde de belangstelling van Audi voor haar 5-pitter wat. Het merk was inmiddels rijk genoeg om een eigen V6 te ontwikkelen en dat is toch meer ‘premium’ dan een extra cilinder aan een VW blok hangen. Desondanks verdween de vijfcilinder niet uit ons straatbeeld, integendeel: Volvo introduceerde in 1991 de 850 GLT, met als gevolg dat de karakteristieke roffel van dit type krachtbron een nieuwe impuls kreeg.

Volvo had de vijfcilinder, anders dan Audi indertijd, niet nodig om meer premium te worden. Het merk leverden immers al de 760. Maar als de PV444 de eerste belangrijke koerswending van Volvo was, dan werd met de 850 GLT de tweede omslag ingeluid. De auto’s van het Zweedse merk waren altijd al lekker en veilig om in te zitten, maar nu waren ze ook een genot om mee te rijden.

Helaas komt aan alles een eind. Ook in de autowereld geldt het levenswet ‘survival of the fittest’. En Volvo denkt dat alleen te kunnen doen als zij zich concentreert op viercilinder motoren. De boekhouders zullen het merk gelijk geven en hybride techniek is tegenwoordig een mooi lapmiddel om gebrek aan volume te maskeren, maar toch: het oor wil ook wat. Zeker in een premiumproduct.

Ik pleit daarom voor eerherstel van de vijfcilindermotor bij Volvo. Wie een 4-pitter met elektrische assistentie wil, koopt een Prius. En voor een geblazen 2.0 liter kan je tegenwoordig ook bij Kia terecht. Van Volvo verwacht ik meer. En ik ben niet de enige als ik het gemopper in buitenlandse testrecensies over de gebrekkige loopcultuur van de S90 of XC90 lees.

Volvo heeft een aantal zware, zure jaren achter de rug, maar nu is het tijd voor het zoet: een uitbreiding van het gamma waar misschien niet al het brood wordt verdiend, maar dat eerder een lekker stuk beleg is. En bij Volvo is dat een nieuwe 2.5 liter vijfcilinder.