Een VOF importeerde in 2016 een schadeauto. De Suzuki Swift 1.6 Sport werd in onbeschadigde staat getaxeerd op 8.864 euro, maar waardevermindering in verband met de schade bedroeg 7.150 euro. De werkelijke handelswaarde, dus voor reparatie, was op dat moment 1.714 euro wat resulteerde in een verschuldigd BPM-bedrag van 438 euro.

WOK-status

De RDW heeft na het keuren van de auto een WOK-status afgegeven (Wachten op keuring) omdat er sprake was van ‘essentiële gebreken’. De auto kon hierdoor niet de weg op. De eigenaar van de auto koos er vervolgens voor om de BPM-aangifte in te trekken en het voertuig te repareren. Na reparatie van de genoemde essentiële gebreken werd voor de tweede maal een BPM-aangifte gedaan, waar vervolgens een belastingaanslag uitkwam van 1.967 euro.

Ongelijke behandeling

Een bezwaar tegen deze beslissing werd door de Belastingdienst afgewezen, waarna de eigenaar van de Suzuki in beroep ging bij de Rechtbank. Dit beroep werd gegrond verklaard en nu is in hoger beroep, dat door de Belastingdienst werd aangespannen, de dienst andermaal teruggefloten. In de uitspraak valt te lezen dat er sprake is van ongelijke behandeling. En dat mag volgens Europese regelgeving niet. “Door de werkwijze die wordt gevolgd door de Inspecteur en de RDW wordt een in te voeren auto met een WOK-status anders behandeld dan auto’s die al op de Nederlandse markt worden verhandeld met een WOK-status.” Dit is in strijd met EU-recht aldus het Hof.

Doos onderdelen

Het argument van de Belastingdienst ‘dat de kosten die moeten worden gemaakt om van een wrak of doos met losse onderdelen een rijwaardig/veilig voertuig te maken, niet aan de heffing van BPM kunnen worden onttrokken’, is volgens het Hof niet juist. “Een personenauto is een motorrijtuig op drie of meer wielen. Pas als daarvan sprake is, zal BPM verschuldigd zijn. Dat kan dus onder omstandigheden een wrak zijn, maar dat is in elk geval niet een doos onderdelen.”